Milieuzorg op kabinetten van geen tel voor minister Crevits

juli 10, 2008 door vlprofractie

Interne milieuzorg op de kabinetten van de Vlaamse regering vormt hoegenaamd geen prioriteit voor Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur Hilde Crevits. Dat blijkt uit een antwoord op een schriftelijke vraag van Els Van Weert.

Die reageert ontgoocheld: “Minister Crevits koestert ter zake niet de minste ambitie. Net nu in de politieke wereld en in de publieke opinie stilaan doordringt hoe urgent de milieuproblemen zijn waarmee we wereldwijd geconfronteerd worden, blijkt de voorbeeldfunctie van de Vlaamse ministeriële kabinetten voor bevoegd minister Crevits van geen tel.”

In een schriftelijke vraag polste Els Van Weert minister Crevits naar haar ambities om – in navolging van o.m. een aantal ministeriële kabinetten en overheidsdiensten op federaal niveau – ook op het niveau van de Vlaamse kabinetten en administraties een zgn. EMAS (Eco-Management & Audit Scheme of milieubeheer & milieu-auditsysteem van de Europese Unie) in te voeren.

EMAS is een doorgedreven vorm van intern milieubeleid: deelnemende organisaties onderzoeken de impact van hun activiteiten op het milieu, werken een concreet actieplan uit om die milieu-impact in aanzienlijke mate terug te dringen en durven daarbij zowel een interne als externe vorm van controle aan. De praktijk leert dat enkel een dergelijke doorgedreven, planmatige en begeleide aanpak tot betekenisvolle resultaten leidt. Zo niet verzandt interne milieuzorg al heel snel in vrijblijvende ad hoc maatregelen.

“Maar dat laatste schijnt geen bekommernis te zijn van minister Crevits”, leert Els Van Weert uit het antwoord dat ze van de minister ontving op haar schriftelijke vraag. “Enkel binnen het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie lopen momenteel de voorbereidingen om een ISO 14001-certificaat te behalen: dat is bovendien een milieuzorgsysteem van niveau 3 en geen milieuzorgsysteem van niveau 4 zoals EMAS dat is. Achter dat voor niet-ingewijden wellicht weinigzeggend onderscheid gaat nochtans een wezenlijke beleidskeuze schuil: als zelfs het voor milieu bevoegd departement geen hogere ambities koestert, zegt dat veel over de prioriteit die interne milieuzorg momenteel geniet op het Vlaamse niveau.”

“Wat de Vlaamse ministeriële kabinetten betreft, is het antwoord van Crevits nog meer veelzeggend”, vervolgt Els Van Weert.

“Crevits minimaliseert de milieu-impact van de Vlaamse kabinetten, hoewel die met ca. 450 werknemers de proportie aannemen van een flink uit de kluiten gewassen bedrijf. Verder stelt ze onomwonden dat het geen zin heeft milieuzorgsystemen op te leggen tegen de wil van ‘het management’ in.

“Ik ben er nochtans van overtuigd dat bij verschillende Vlaamse ministers er wel degelijk bereidheid is om werk te maken van een gestructureerd systeem van interne milieuzorg. Maar dat vraagt wel om een bevoegd minister die de maatschappelijke voorbeeldfunctie van ministeriële kabinetten ernstig neemt en het voortouw neemt om de reële milieu-impact van de Vlaamse kabinetten terug te dringen. Niet om een minister die zich tevreden stelt met de jaarlijkse deelname van kabinetten aan een aantal mediagenieke acties als de Dikke Truien-dag.”

Els Van Weert
Vlaams volksvertegenwooridger VlaamsProgressieven
els.vanweert@vlaamsparlement.be
www.bloggen.be/lopendezaken

Vlaams Parlement wil ondersteuning van creatieve gamesector

juli 10, 2008 door vlprofractie

Het is zoals de seizoenen een terugkerend fenomeen, de oproep om de strijd aan te binden tegen de verderfelijke invloed van gewelddadige videogames op jongeren. Enkele weken geleden was het opnieuw prijs met de release van de nieuwe “Grand Theft Auto”. We herinneren ons ook nog de eis van ondermeer de Gezinsbond en ongeruste collega’s om een verbod uit te vaardigen tegen bepaalde games toen de heisa rond het spel “Bully” uitbrak. Een resolutie van VlaamsProgressieven, sp.a, CD&V, Open VLD, NV-A en Groen! maakt nu komaf met de mythevorming rond games en vraagt om de sector een stevig duwtje in de rug te geven.

Vlaams Volksvertegenwoordiger Joris Vandenbroucke beaamt dat niet elke game het ideale speelgoed is voor jonge kinderen maar huivert bij de gedachte aan verbodsbepalingen. Er is namelijk geen enkel wetenschappelijk bewijs voor een rechtstreeks en eenduidig verband tussen agressiviteit bij jongeren en het spelen van games. Elk spel dat in ons land verkocht wordt, draagt trouwens het label van PEGI (pan european gaming informationsystem). Ze worden gelabeld op basis van 5 leeftijdscategorieën en inhoudspictogrammen die verwijzen naar geweld, angst, seks, drugs en alcohol, discriminatie en grof taalgebruik. Jaarlijks worden meer dan 1600 games gescreend, waarvan amper 2 tot 4% een 18+ – label krijgt. Via die labels kunnen we ons perfect informeren over de inhoud van een spel en onze verantwoordelijkheid voor onze gamende kids perfect opnemen.

Aan games zijn ook vele positieve effecten verbonden. Ze hebben van computers big fun gemaakt, een ganse generatie heeft zo de smaak te pakken gekregen voor het gebruik van de nu onmisbare communicatie- en informatietechnologieën. Want ook dat blijkt uit wetenschappelijk onderzoek : video games bieden een unieke, actieve vorm van media entertainment, vaak in een sociale context en met positieve effecten op het concentratievermogen en probleemoplossend denken in complexe situaties. Vaardigheden die elk kind best kan gebruiken.

De gamesector is ook big business. Het is een uitermate creatieve sector die een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van de kenniseconomie. Deze sector mag door de productie van ‘edu-games’, simulatiespellen, enz… ook de industrie en het onderwijs tot haar klanten rekenen.

Met een voorstel van resolutie betreffende de ondersteuning van de gamesector in Vlaanderen wil Vlaams Parlementslid Joris Vandenbroucke (Vl.Pro) een bijdrage leveren aan het bijstellen van het imago van de gamesector en vooral een duurzame verankering van deze veelbelovende industrie in Vlaanderen. 

Belangrijkste elementen die in de resolutie staan :

- We willen dat alle media-producten een labeling zoals PEGI dragen zodat consumenten (ouders) attent gemaakt worden op de inhoud en de geschiktheid voor kinderen. Games zonder PEGI-rating mogen niet verkocht worden.
- We willen dat de overheid, de gamesector en de distributiesector een informatiecampagne organiseren rond PEGI.
- We willen dat er een kenniscentrum “mediawijsheid” komt dat onderzoek doet naar de effecten van nieuwe media en dat sensibiliseringscampagnes opzet naar jongeren, ouders, leerkrachten over hoe om te gaan daarmee.
- We willen dat games en interactieve software meer aan bod komt in de klas. De BTW daarop moet verlaagd worden van 21% naar 6% zoals dat al voor klassieke leermiddelen (boeken) het geval is.
- We willen een masteropleiding game-ontwikkeling in Vlaanderen.
- We willen een positief investeringsklimaat voor de game-industrie ontwikkelen, helpen bij de oprichting van een overkoepelende sector-organisatie (Game Association) en bij de oprichting van een ‘incubator’, een ‘broedplaats’ voor jonge ondernemingen en ondernemers.

Joris Vandenbroucke
Vlaams volksvertegenwoordiger VlaamsProgressieven
0475/98 14 58
joris.vandenbroucke@vlaamsparlement.be
www.jorisvandenbroucke.be

Stop de opsluiting van kinderen zonder papieren

juli 10, 2008 door vlprofractie

Bert is niet alleen Vlaams minister van Jeugd maar ook coördinerend minister voor Kinderrechten binnen de Vlaamse regering. Samen met professor Wouter Vandenhole, docent mensenrechten aan de Universiteit Antwerpen, Elisabeth Lommée en Dirk Vanheule heeft hij het rapport De Vrijheidsberoving van minderjarige vreemdelingen voorgesteld. Bert gaf de opdracht tot dit onderzoek nadat vorig jaar zowel het Kinderrechtencommissariaat als de Kinderrechtencoalitie en haar leden dringend de aandacht vroegen voor de problematiek van de vrijheidsberoving van kinderen zonder papieren. De minister vraagt de bevoegde federale ministers met aandrang rekening te houden met de beleidsaanbevelingen in het rapport en dus de nationale asielwetgeving (en de praktijken) in overeenstemming te brengen met de internationale regelgeving. Daarbij moeten ze ook rekening houden met de specifieke situatie van kinderen en jongeren. Voor de minister en de Kinderrechtenactoren is het onaanvaardbaar dat in ons land nog steeds minderjarige vreemdelingen, in het kader van hun asielprocedure, worden opgesloten.

In het rapport Vrijheidsberoving van minderjarige vreemdelingen geven de onderzoekers de schendingen van de Belgische asielwetgeving en -praktijken aan de internationale regelgeving aan. De onderzoekers hebben een strikt juridische toetsing aan het Internationaal Verdrag van de Rechten van de Mens, het Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) en andere verdragen gedaan. Ze hebben zich specifiek gericht op de situatie van minderjarige vreemdelingen, in een gezinssituatie of niet-begeleid.
Wat betreft de vrijheidsberoving op zich, stelt het rapport dat in een maximale benadering van de kinder- en mensenrechten de opsluiting van minderjarigen zonder papieren wettelijk zou moeten worden uitgesloten. Vanuit een minimale benadering, namelijk de handelswijze die nog net mogelijk is om niet strijdig te zijn met de internationaal erkende kinder- en mensenrechten, legt het onderzoek de pijnpunten bloot in de Belgische wetgeving en praktijk rond de vrijheidsberoving van minderjarige vreemdelingen. De auteurs komen zo tot zeer concrete beleidsaanbevelingen voor het federale niveau.

De vier grote pijnpunten zijn:
- de noodzaak van de maatregel tot vrijheidsberoving wordt onvoldoende geval per geval onderzocht;
- de vrijheidsberoving duurt vaak te lang;
- de detentieomstandigheden zijn niet aangepast aan de specifieke noden en rechten van minderjarigen;
- de verplichting om in concrete opvang en begeleiding na terugwijzing te voorzien dient wettelijk verankerd te worden, en rechterlijke beslissingen tot vrijlating worden in strijd met het beginsel van de rechtsstaat genegeerd.

Bert Anciaux zal het rapport overmaken aan de federale regering, en in het bijzonder aan de minister van Migratie- en Asielbeleid, de minister van Justitie en de minister van Maatschappelijke Integratie. In de federale regering is er immers geen minister voor Kinderrechten. De gemeenschappen willen en moeten in deze kwestie de pionier zijn.

Bert roept de federale regering op om de rechten van kinderen zonder papieren maximaal te beschermen, en een wetsontwerp in te dienen dat de opsluiting van minderjarigen zonder papieren verbiedt. Als de federale regering ervoor kiest om zich op basis van dit rapport in regel te stellen met haar minimale mensenrechtelijke verplichtingen dan is dat een stap vooruit, maar onvoldoende volgens het Kinderrechtenbeleid en volgens het samenwerkingsverband van de Kinderrechtenactoren.

Voor de minister en de kinderrechtenpartners zijn er naast het objectieve gegeven van de schending aan de internationale regelgeving, ook even belangrijke argumenten om detentie voor deze groep in geen enkele omstandigheid te aanvaarden. Bert Anciaux: “Gevoelsmatig beseft iedereen die met kinderen begaan is dat opsluiting voor kinderen een bijzonder traumatiserende ervaring is die hen voor het leven tekent. Een groeiend aantal wetenschappelijke onderzoeken bevestigt dit. Kinderen in detentie lopen psychische schade op. Daarbij blijkt de voortdurende bestaansonzekerheid een bepalende factor met diverse belangrijke gevolgen; zoals een onveilige hechting van jonge kinderen, de manifestatie van parentificatie bij kinderen in de basisschoolleeftijd, een negatief zelfbeeld en schaamte vanuit een afwijzingsgevoel bij adolescenten. Kinderen die veelal jaren in onze samenleving een normaal en geïntegreerd leven leiden, oppakken en van hun vrijheid beroven is onmenselijk en verwerpelijk, en dus in strijd met de geest van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. Ons land moet onmiddellijk stoppen met het opsluiten van kinderen zonder papieren.” 

Kabinet Vlaams minister  Bert Anciaux
Arenbergstraat 7
1000 BRUSSEL
Tel.02/552.69.00
Fax.02/552.69.01

Oosterweelverbinding : Vl.Pro vraagt garanties

juni 20, 2008 door vlprofractie

Bij de bespreking van de 10de voortgangsrapportage van de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM) in het Vlaams Parlement heeft Joris Vandenbroucke garanties gevraagd op het vlak van gezondheidseffecten en kostprijs. Vandenbroucke wees ook op het falend communicatiebeleid van de BAM.

De Oosterweelverbinding, de constructie van een tunnel onder de Schelde en van een dubbeldeksviaduct (“Lange Wapper”) boven het Straatsburgdok om de ring rond Antwerpen (R1) rond te maken, blijft voor beroering zorgen. Zowel bij de publieke opinie, als in de commissie Openbare Werken waar de bouwheer (BAM) om de drie maanden verslag uitbrengt van zijn werkzaamheden, leven tal van vragen over “de werf van de eeuw”.

Joris Vandenbroucke, Vlaams Volksvertegenwoordiger en lid van de commissie Openbare Werken : “De VlaamsProgressieven staan achter het Masterplan Antwerpen dat door een combinatie van nieuwe weginfrastructuur, openbaar vervoersprojecten en verbetering van de ontsluiting van de haven via het Albertkanaal, een duurzame, multimodale oplossing wil bieden voor de mobiliteitsknoop in en rond Antwerpen. Wij staan dus ook achter de Oosterweelverbinding maar eisen garanties om dit project niet in een nachtmerrie te laten eindigen.”.

Garanties voor de bescherming van de gezondheid van de Antwerpenaren op de eerste plaats. Uit het milieu-effectenrapport is gebleken dat de Oosterweelverbinding geen invloed heeft op de algemene luchtkwaliteit in Antwerpen, in het bijzonder wat de uitstoot van fijn stof betreft. Dat betekent niet dat die algemene luchtkwaliteit goed is. De ganse Antwerpse agglomeratie is immers een “hotspotzone”, een plaats waar de Europese fijn stofnorm veel te vaak overschreden wordt. Joris Vandenbroucke heeft minister van Leefmilieu Crevits gevraagd om dringend werk te maken van een actieplan dat zorgt voor een radicale sanering van de hotspotzone Antwerpen. Voor andere hotspotzones gebeurde dit reeds, Antwerpen zit achter op schema. Omdat een verhoogde lokale blootstelling aan fijn stof rond de Oosterweelverbinding niet uitgesloten is, moet BAM op die plaatsen extra maatregelen nemen. Joris Vandenbroucke : “Concreet is de stelling van Vl.Pro dat de Europese fijnstofnormen altijd, en in alle omstandigheden, in àlle Antwerpse wijken moeten gerespecteerd worden. Met of zonder Oosterweelverbinding.”.

De VlaamsProgressieven zijn ook ongerust over de kostprijs van het project. Het Masterplan is ‘een en ondeelbaar’, een exploderende kostprijs van de Oosterweelverbinding die de andere projecten op de helling zet, moet absoluut vermeden worden. De Vlaamse regering heeft de investeringskost voor de Oosterweelverbinding  geplafonneerd op 1,85 miljard euro volgens het prijspeil van januari 2006. De kostprijs mag dus niet hoger zijn dat het geïndexeerde plafond (2011) van 2,5 miljard euro. “BAM is volop aan het onderhandelen met het bouwconsortium Noriant. Weldra zal blijken of het kostprijsplafond van de regering gerespecteerd wordt. Voor Vl.Pro is dit echter een must”, aldus Joris Vandenbroucke.

Tot slot nam Vandenbroucke het communicatiebeleid van BAM zwaar op de korrel. “Men produceert brochures, maquettes en nieuwsbrieven over de bouwprojecten, maar op de fora waar het maatschappelijk debat wordt gevoerd, laat BAM zich niet zien. Dit is een grove nalatigheid want op die manier smelt het maatschappelijk draagvlak voor het Masterplan helemaal weg. Het is de plicht van BAM om ten allen tijden op alle vragen van het publiek te antwoorden. Naast de projectcommunicatie moet BAM zich dan ook veel meer toeleggen op draagvlakverhogende initiatieven”, zo besluit Vandenbroucke.

Joris Vandenbroucke
Vlaams volksvertegenwoordiger VlaamsProgressieven
0475/98 14 58
joris.vandenbroucke@vlaamsparlement.be
www.jorisvandenbroucke.be

 

Jos Bex vraagt nieuw spreidingsplan

juni 20, 2008 door vlprofractie

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos Bex legde afgelopen week een motie ter stemming om het aantal nachtvluchten en de daardoor veroorzaakte last te beperken. Hij wil een nieuw spreidingsplan, waarbij elk gewest zijn portie hinder te verwerken krijgt. Bovendien dringt hij aan dat ons land weegt op het overleg dat nu aan de gang is op Europees niveau.

De spreiding van de vluchten rond Zaventem die enkele jaren geleden door de federale overheid in voege werd gebracht, liet toe dat sommige gebieden vandaag meer lawaaihinder ondervinden dan vroeger. Zo zorgde de toename van het aantal vluchten over de oostelijke rand van de luchthaven bijvoorbeeld voor een groot aantal nieuwe klachten. Jos Bex spreekt van een verschuiving van de hinder boven Brussel naar de omgeving van het Brusselse gewest en wil deze nu een halt toe roepen. Hij pleit voor een nieuw spreidingsplan waarin alle gewesten een gelijk deel van de last te verwerken krijgen.

Daarnaast vraagt Bex de Vlaamse regering om maximaal te wegen op het overleg tussen de bij het SES concept (Single European Sky) betrokken Europese landen om voor het lage luchtruim de meest veilige en milieuverantwoorde doelstellingen na te streven en voor het hogere luchtruim de versnippering door eenduidige Europese regelgeving tegen te gaan. Verder vraagt de volksvertegenwoordiger een maximale afstemming en integratie tussen het civiele en militaire luchtruim en een duidelijke afweging van prioriteiten tussen nationale, regionale en lokale luchthavens.

Door objectieve Europese criteria als uitgangspunt te nemen voor het door de federale staatssecretaris gevraagde samenwerkingsakkoord met het Brussels Gewest, kunnen beide gewesten tot een correcte lasten- en kostenverdeling van de luchthavenhinder komen zonder dat hiertoe nieuwe gehinderden hoeven voor op te draaien.

Jos Bex
Vlaams volksvertegenwoordiger VlaamsProgressieven
Kastanjebosstraat 8
3020 Veltem-Beisem
0477/69.27.67

Front CD&V en Open VLD niet bezorgd om Gaza

juni 20, 2008 door vlprofractie

In de commissie Buitenlandse Aangelegenheden van het Vlaams Parlement stemde een meerderheid van CD&V, Open VLD en Vlaams Belang elke bezorgdheid rond de problematiek in Gaza weg. Amendementen van sp.a + VlaamsProgressieven op een tekstvoorstel van Groen! om alsnog de meerderheid op één lijn te krijgen werden botweg weggestemd. “Vlaanderen geeft op die manier het signaal dat het helemaal niet bekommerd is om het lot van de Palestijnse burgers” aldus Jan Roegiers (Vl.Pro). “CD&V en Open VLD deden niet eens moeite om een eigen voorstel te formuleren”.

De voorbije weken behandelde de commissie de problematiek van het Israëlisch geweld tegen burgers in Gaza. Aanleiding was een resolutie van Groen! Diverse hoorzittingen werden aan het thema gewijd. Onder andere de vertegenwoordiger van de Palestijnse Autoriteit in België, de Israëlische Ambassadeur, professor Rik Coolsaet en Brigitte Herremans lieten hun licht schijnen op de problematiek.

Op hun voorstel werd een artikel – waarin gevraagd werd het Associatieverdrag op te zeggen – gemilderd tot de vraag de voorwaarden van het Associatieverdrag strikt na te leven. Jan Roegiers diende nog amendementen in m.b.t. de wapenhandel met Israël en amendementen die het samenwerken van Vlaanderen met de Palestijnse Autoriteit rond onderwijs, cultuur en toerisme moeten bevorderen.

Net voor de stemming trok een deel van de meerderheid –  CD&V en Open VLD –  zich terug om te beraadslagen. VlaamsProgressieven, sp.a en N-VA waren op dit overleg niet welkom. Na de onderbreking bleek dat beide partijen tot het akkoord waren gekomen alle amendementen en de hele tekst weg te stemmen. Een motivering werd niet meer gegeven.

Jan Roegiers betreurt deze gang van zaken: “Het lijkt er steeds meer op dat in diverse buitenlanddossiers CD&V en Open VLD hun eigen gang gaan, los van de andere meerderheidspartijen. Dat ze hiervoor geen meerderheid hebben deert niet, blijkbaar geven ze er de voorkeur aan vooral géén Vlaamse standpunten in te nemen.”

Jan Roegiers
Leuvense weg 86
1011 Brussel
Koolsteeg 20
9000 Gent

gsm 0495 53 20 67
fax 09 330 77 54
jan.roegiers@vlaamsprogressieven.be
jan.roegiers@vlaamsparlement.be

Versmalt het VSKO tot vakorganisatie van de Inrichtende Macht?

juni 20, 2008 door vlprofractie

Vlaams volksvertegenwoordiger Dirk De Cock stond in 2004 mee aan de wieg van het participatiedecreet. VlaamsProgressieven pleit al heel lang voor meer inspraak en overleg in het onderwijs. Dit moet een vast element van de schoolcultuur zijn. Dirk De Cock is dan ook verbolgen over de tendentieuze evaluatie van het participatiedecreet die de onderwijskoepel van het VSKO presenteerde eerder deze maand. Dirk biedt stevig weerwerk tegen deze conservatieve krachten.

Inspraak en betrokkenheid van alle partners van en school dragen bij tot een beter schoolklimaat en een kwaliteitsvol schoolbeleid. Het participatiedecreet heeft tot doel dit – waar nodig – te stimuleren. Toch blijven conservatieve krachten het eigen belang voorop zetten. Ze pogen op die manier het verder ontwikkelen van een participatieve cultuur in alle Vlaamse scholen te dwarsbomen. Dé conservatie kracht blijft het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO). De onderwijskoepel van het vrije onderwijs berichtte dat het participatiedecreet zijn doel voorbijschiet. 

Het VSKO stond van in het begin heel kritisch tegenover het participatiedecreet. Niet omwille van de vrees dat het een slecht instrument zou zijn om meer participatie mogelijk te maken. Zo verkochten ze het wel in het openbaar, maar ook toen was het duidelijk dat het hen ging over het eigen belang van de directie en vooral de schoolbesturen. De schrik dat deze spelers een deel van hun beslissingsbevoegdheid  – of misschien wel macht – zouden moeten inleveren was groot. Deze echte reden van  hun verzet was bij de besprekingen van het decreet al sterk merkbaar. Nu drie jaar later krijgen we de definitieve bevestiging van dit motief. De koepel komt met een eigen – zogezegd- objectief onderzoek  op de proppen dat hun kritieken op het decreet volledig onderschrijft. Het onderzoek is echter een gestuurde bevraging met bovendien heel selectieve conclusies.

De bevraging is afgenomen bij de voorzitters van het schoolbestuur en de schoolraad en directeurs. Hier vallen de maskers al af. Want waren zitten de leerlingen, ouders en leerkrachten? Zij, om wie het hele participatiedecreet draait, worden niet gehoord. Dat alleen al devalueert de waarde van het onderzoek. En dat voor een onderzoek over participatie!

Het meest frappant is echter de hoofdconclusie dat het participatiedecreet niet tot méér participatie heeft geleid. Hoe komt het VSKO dan wel tot die conclusie op basis van dit onderzoek? Inderdaad de meerderheid van de bevraagden vindt dat de participatie niet is toegenomen. Maar 40 % van de voorzitters van de schoolraden vindt juist wel dat het decreet zijn vruchten heeft afgeworpen. Dit overtreft de verwachtingen van de beleidsmakers. Het decreet had immers in de eerste plaats tot doel om vooral die scholen die geen participatie kenden aan te sporen. Dat meer dan helft geen toename ziet is dan ook logisch. Niet alle scholen vertrokken immers van een nulpunt, integendeel. De conclusie dat het decreet zijn doel voorbij schiet, is compleet foutief.  Deze boodschap is echter dé teaser om de aandacht te trekken. Het VSKO hoopt hiermee de eigenlijke agenda te kunnen zetten.

Want waar draait het echt allemaal om? Wel het VSKO wil dat het schoolbestuur een afvaardiging krijgt in de schoolraad om zo de touwtjes in handen te houden. Ook voor deze eis vinden ze natuurlijk steun in hun onderzoek. Uit de bevraging blijkt immers dat de meerderheid van voorzitters de aanwezigheid van het schoolbestuur ook als een positief element ziet. Maar zien zij – verkeerdelijk – de directeur ook niet als een deel van het schoolbestuur? En inderdaad zijn of haar aanwezigheid wordt positief geëvalueerd. Maar het is nu al duidelijk – ook uit de bevraging – dat de vergadering meestal of geleid wordt door de directeur of dat hij/zij het meeste aan het woord is. Is het dan echt nodig om de positie van het schoolbestuur in zo een schoolraad te verstevigen? Zal dit niet degressief werken voor de participatie van de verschillende leden van de schoolraad? Toch wel belangrijke vragen lijkt me!

Dat het participatiedecreet zal geëvalueerd worden is een goede zaak. Maar als het van mij afhangt zal die evaluatie gaan in de richting van wat we meer kunnen doen. Hoe kunnen we werken aan de informele participatie en participatie op klasniveau? Dat is mijn belangrijkste vraag. Het participatiedecreet behelst immers nog maar een deel van de stappen waartoe scholen uitgenodigd worden. En organisaties die enkel de macht van de inrichtende machten komen verdedigen, daar moeten we bij de evaluatie niet teveel  belang aan hechten. Laten we maar vooral luisteren naar de belangen en visies van ouders, leerlingen en leerkrachten.

Dirk De Cock

Vlaams Volksvertegenwooridger VlaamsProgressieven
Leuvenseweg 86
1000 Brussel
gsm: 0478/45.28.15
 
www.dirkdecock.be
dirk.decock@vlaamsparlement.be

Minister Bert Anciaux stelt het nieuwe Vlaamse huis voor Brussel voor

juni 20, 2008 door vlprofractie

Op 7 mei presenteerde Bert Anciaux de nieuwe plannen voor het Vlaams Communicatiehuis in Brussel (VCHB). Het Monnaiehouse aan het Muntplein in hartje Brussel wordt een centraal zenuwcentrum voor informatie over en promotie van het Nederlandstalige aanbod in de hoofdstad, én van het aanbod in Vlaanderen én Brussel voor Nederlandstaligen van de hoofdstad. Het zal zich richten naar al wie in Brussel woont, werkt of zijn vrije tijd doorbrengt. Het Vlaams Communicatiehuis Brussel integreert de Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek (HOB) en Onthaal en Promotie Brussel (OPB). Het past in de plannen van Bert Anciaux om de band tussen Vlaanderen en Brussel te versterken.

De Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) zijn sinds jaren de motor achter een netwerk van instellingen, organisaties en verenigingen op het vlak van onderwijs, cultuur en welzijn. Bert wil de kwaliteit van dat aanbod ook een vitrine geven in het hart van Brussel, en op die manier het imago van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel als een open, gastvrije gemeenschap versterken.

De Vlaamse Gemeenschap wil een duidelijk herkenbaar informatie- en promotiebeleid voeren voor alle bewoners, gebruikers en bezoekers van onze hoofdstad. Het Vlaams Communicatiehuis Brussel (VCHB) wordt hiervoor hét zenuwcentrum.

Het Vlaams Communicatiehuis Brussel moet de eerste opstap zijn naar informatie over alle Vlaamse gemeenschapsvoorzieningen in de stad en naar alle stedelijke informatie die nuttig kan zijn. Met andere woorden: de drempel om er binnen te lopen moet zo laag mogelijk zijn. Dat was dan ook de opdracht die de architecten meekregen: maak er een open huis van, dat ook fysiek aantrekt.

Het idee van een ‘één loket’-functie staat hierbij centraal. Dit veronderstelt evenwel goede taakafspraken met de diverse Vlaamse partners zoals Toerisme Vlaanderen, en een sterk netwerk met lokale partners zoals de Gemeenschapscentra.

Het Huis moet een gezicht geven aan Vlaanderen in Brussel, en omgekeerd. Het moet duidelijk zijn dat het aanwezige aanbod, en de kwaliteit ervan een onlosmakelijk deel zijn van wat de Vlaamse Gemeenschap te bieden heeft. Met dit initiatief wil Bert Anciaux een promotie- en propaganda-instrument realiseren van Vlaanderen in Brussel.

Het Vlaams Communicatiehuis Brussel investeert in offensieve communicatie naar cultureel diverse gemeenschappen in Brussel. Deze communicatie is vernieuwend en krachtig, maakt gebruik van toegespitste communicatiestrategieën, boort nieuwe en diverse kanalen en methodieken aan, is meertalig en origineel, en intercultureel par excellence. Op het vlak van cultuurcommunicatie kan men uitvoering geven aan het samenwerkingsakkoord met de Franse Gemeenschap, waar Bert aan werkt.

In het VCHB kan je terecht met vragen of kan je zelf op zoek naar informatie; er is ook plaats om te werken of te studeren. De bibliotheek wordt een echte verblijfsbibliotheek. Het Huis biedt ook functies gericht op ontmoeting: een café, vergaderruimtes en dergelijke meer. Het wordt een platform dat andere organisaties kunnen gebruiken voor de promotie van hun activiteiten of werking. Tegelijk vormt het VCHB de uitvalsbasis voor een eigen communicatie- en promotiebeleid.

Het Vlaams Communicatiehuis in Brussel wordt ongetwijfeld dé trekpleister voor de Vlamingen in Brussel wonen, werken of die de stad gewoon bezoeken. Minister Anciaux werkt met heel veel plezier aan dit project en zorgt zo voor een blijvende Vlaamse verankering in onze hoofdstad.

Kabinet Vlaams minister  Bert Anciaux
Arenbergstraat 7
1000 BRUSSEL
Tel.02/552.69.00
Fax.02/552.69.01

Het Rekenhof en de VRT: het verhaal van twee werelden die elkaar niet begrijpen

juni 20, 2008 door vlprofractie

Het Rekenhof heeft de samenwerking tussen de VRT en externen voor het realiseren van televisieprogramma’s onderzocht. Het onderzoek ging over drie facetten: productie van programma’s door productiehuizen, de aankoop van diensten en goederen voor het aanmaken van programma’s en het inhuren van externe medewerkers. Het onderzoek behandelde de rechtmatigheid en de doelmatigheid van deze activiteiten. Een goed initiatief, zeker. Het is nuttig te controleren of de VRT haar werk doet volgens de regels, welke fouten worden gemaakt en hoe deze te verhelpen. Het Rekenhof doet dat ook voor pakweg het algemeen welzijnswerk of cultuursubsidiëring.
Het rapport ligt er nu. Er valt heel wat over te zeggen. Sommigen zullen het graag aangrijpen om te schelden en te schimpen op de vorige VRT-leiding. We leren er wel wat uit, maar toch te weinig. Het is een vaag rapport dat meer vragen oproept dan antwoorden geeft.

Het ontbreken van een tijdskader


Het rapport gaat over de periode 2004 – 2006. Dat is een vreemde keuze. Het rapport behandelt een deel van de vorige beheersovereenkomst. Waarom precies die periode? Waarom niet vroeger of niet later? Het wijst niet op de wil een algemeen en diepgaand onderzoek te doen naar de uitbesteding van de productie van programma’s. Het bestellen van programma’s bij externe productiehuizen startte goed 10 jaar geleden.
Het zou bijzonder interessant geweest zijn – het kan nog – om de evolutie van de uitbestedingen in beeld te brengen van bij het begin om zo vergelijkingen te kunnen maken. Het zijn Bert De Graeve en Piet Van Roe, opgevolgd door Christina von Wackerbarth als Directeur Televisie, die ermee startten. Het eerste contract met Woestijnvis werd in 1996 afgesloten. Onder Bert De Graeve werden ook de eerste exclusiviteitscontracten afgesloten, met deMensen en met Woestijnvis. Ook dan werd voor het eerst het principe van succespremies (een financiële bonus bij het halen van kijkcijfers) ingevoerd.
In de loop van de jaren nam het aantal bestellingen toe. In de periode Tony Mary / Aimé Van Hecke werd daarom een strategische visie over uitbesteding uitgeschreven, werd het aankoopbeleid gestructureerd en de missie van het interne productiehuis (IPRO) uitgewerkt. De strategie werd trouwens in de beheersovereenkomst opgenomen met als kerngedachte dat het accent moest liggen op de ontwikkeling van eigen Vlaamse formats voor tv; weet dat op andere zenders het veelal gaat om adaptaties van buitenlandse formats. Tot dan gebeurden de bestellingen ad hoc, met nog veel minder transparantie … Dat zou onderzoek dat verder in de tijd teruggaat (kunnen) aantonen. Het rapport behelst helaas  enkel de periode Mary / Van Hecke tot hun vertrek.

Geen doelstellingen?

Eén van de kritieken van het Rekenhof is het feit dat de strategie voor productiehuizen geen doelstellingen bevat. Dat is een bizarre opmerking. Uitbesteding is namelijk geen doel, maar alleen een middel dat moet bijdragen tot de realisatie van de algemene doelstellingen, zoals vermeld in het decreet en in de beheersovereenkomst. Een apart doelstellingenkader is niet alleen onnodig, het is zelfs onwenselijk. Immers, het is geen optie om competitie te organiseren tussen interne en externe productie van de VRT. De strategie voor interne productie is bekend en is gebouwd op behoud van competentie in huis, de invulling van cruciale slots en onafhankelijkheid ten opzichte van productiehuizen.

Mededingingsconcept

Het Rekenhof spreekt zichzelf ook wel eens tegen. Aan de ene kant stelt het terecht dat de productie van tv-programma’s niet onderworpen is aan de wet op de overheidsopdrachten. Cultureel en sociaal belang liggen aan de basis van de Europese uitzondering. Aan de andere kant stelt het Rekenhof dat de regels en beginselen zoals transparantie in acht moeten worden genomen, beslissingen moeten worden gemotiveerd en een ‘passende bekendmaking’ bij een gunningsprocedure is vereist. Maar in voetnoot 17 van het rapport lezen we dat voor “opdrachten die wegens hun artistieke specificiteit of omwille van de bescherming van exclusieve rechten slechts aan één ondernemer kunnen worden toevertrouwd” de vereiste van passende bekendmaking niet nodig is. Dat is nu net de kern van een creatief product als een tv-programma. Het gaat om unieke, originele producten, onderworpen aan rechten en confidentialiteitsverplichtingen. En toch hamert het Rekenhof in het rapport voortdurend op de hoger genoemde vereisten. Je gaat toch ook de vertolking van liedjes in een show niet na een ‘passende bekendmaking’ en een vergelijkende procedure toekennen aan de zanger die het goedkoopst wil komen zingen. Creativiteit heeft een prijs, een marktwaarde, zodat één uur tv niet steeds evenveel kost. Het Rekenhof bleef echter dicht bij de letter van de wet en bekeek het dossier administratief/juridisch, zonder afdoende met de eigenheid van het tv-vak rekening te houden.
Dat een aantal contracten te laat werden ondertekend moet echter wel als een ernstig tekort worden aangestipt. Idem voor een aantal zaken waar de wetgeving voor overheidsopdrachten wel geldt, bijv. voor het inhuren van cameraploegen, de aankoop van materialen of consultancyopdrachten over vormgeving van tv-netten. In enkele gevallen heeft de VRT de regels van mededinging niet gerespecteerd. Deze overtredingen kunnen niet. Maar het heeft niet automatisch tot gevolg dat de VRT financiële schade heeft geleden.

Een competitieve omgeving

Het Rekenhof gaat ook iets te makkelijk voorbij aan het uitzonderlijke karakter van de televisie-omgeving. Het gaat om een landschap met een openbare en meerdere commerciële omroepen, die zich competitief tot elkaar verhouden. Wie resultaten wil halen in deze omgeving kan dit enkel realiseren als het met dezelfde wapens kan strijden als de commerciële spelers. Het zou ongehoord zijn dat de VRT de afspraken over het creatieve concept, de kost enz. openbaar moet maken. Commerciële spelers laten toch ook niet in kaarten kijken? Concurrenten zouden maar al te graag willen samenwerken met de succesvolle programmamakers en productiehuizen waar de VRT mee werkt.
Dat belet niet dat betere motivatie van de keuze voor productiehuizen, een betere controle en duidelijkere contracten noodzakelijk zijn. Dat is een aandachtspunt waar het Rekenhof terecht op wijst. Maar het gaat niet om doodzonden.

Conclusie

Het rapport van het Rekenhof geeft geen antwoord op de belangrijkste vragen: heeft de VRT de bij externe productiehuizen bestelde/ingekochte programma’s op een marktconforme wijze betaald? Heeft de VRT doelmatig gehandeld? Is de externe productiekost hoger of lager dan de interne? We krijgen hier geen duidelijk antwoord op. De vergelijkingen zijn mank – er worden appels met peren vergeleken, bijv. informatieprogramma’s met fictie. Jammer. Enige vergelijking met de prijs die commerciële zenders betalen ware ook nuttig geweest. Op die vlakken is het rapport een gemiste kans.
Content in prime time (19u – 23u) kost snel 100 tot 150.000 euro per uur; een show bijvoorbeeld. De langetermijnovereenkomst met Woestijnvis bepaalt dat Vlaamse content in prime time gemaakt wordt voor 50.000 euro per uur (Man Bijt Hond, De Laatste Show …). Dat is een derde van de normale kost. Is dat nog te veel? Is dat doelmatig? We krijgen er geen antwoord op.

De politieke motieven

Het verhaal van de VRT laat zich eenvoudig lezen. In 1996 zat de omroep in een diep dal. Er kwam een nieuw management (Bert Degraeve). En reeds in 1999, veel sneller dan verwacht, stond de omroep weer aan de top. Voor sommige politieke partijen kon dat niet … en dus werden beschadigende strategieën ontwikkeld. Laat me ze opsommen:
1. Twee keer werd het management weggestuurd (eerst De Graeve – von Wackerbarth en in 2006 Mary – Van Hecke). Beide duo’s waren te succesvol en te ambitieus.
2. De dotatie moest naar beneden. Een jaarlijkse groei van 1,8%, ver onder de inflatie, bewijst dat.
3. Meer ruimte voor de commerciële omroepen: reclame rond kinderprogramma’s toelaten, een tweede radiostation voor de VMMa, een nieuw mediadecreet met meer reclamemogelijkheden.
4. De vrijheid van de VRT-leiding om relaties aan te gaan met externe makers en productiehuizen inperken.
5. Een slechte beeldvorming over het vorige management (2x) verspreiden om de perceptie over de VRT negatiever te maken.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het rapport van het Rekenhof – gewild of ongewild – moet bijdragen aan de acties 4 en 5. Op middellange termijn zal die strategie succesvol zijn. De achteruitgang van de radio, zeker van Donna, en de opmars van VTM – het is hen gegund – zijn slechts de eerste signalen.
Het Rekenhof geniet mijn vertrouwen. Het mag van mij een echt diepgaand onderzoek doen naar uitbesteding, maar dan over een langere periode, en met boter bij de vis, ik bedoel bruikbaar en vergelijkend cijfermateriaal, waar we grondige conclusies uit kunnen trekken.

Meer info:
Bart.caron@vlaamsparlement.be
0477/49.58.10

Naar een indexsprong voor Vlaams parlementsleden ?

juni 20, 2008 door vlprofractie

Els Van Weert schreef begin deze week een brief aan parlementsvoorzitter Marleen Vanderpoorten.waarin ze vraagt om met haar collega’s van het bureau van het parlement een discussie ten gronde te voeren spreken over de derde indexaanpassing  die er einde 2008, begin 2009 ook voor parlementsleden aankomt.

Twee weken geleden stelde Van Weert dat een parlementslid geen drie indexaanpassingen per jaar nodig heeft en dat de automatische indexering van de wedde van een parlementslid bij hyperinflatie een persvers effect heeft. Het kan volgens haar niet de bedoeling zijn dat het loon van parlementsleden in een periode van 1 jaar tijd met 500 euro per maand stijgt.

De automatische koppeling van de wedden aan de index is een prachtig en bijna uniek systeem.
Voor veel mensen met een beperkt of gemiddeld inkomen zijn deze indexaanpassingen in tijden van hyperinflatie meer dan nodig om hun koopkracht enigszins op peil te kunnen houden. Parlementsleden behoren – net als andere goedverdieners in onze samenleving – echter niet tot de groep van mensen die acuut last hebben van deze hyperinflatie. De procentuele indexaanpassingen compenseren voor hen meer dan ruimschoots de huidige prijsstijging van basisproducten. Zeker gezien ook het feit dat een aantal luxegoederen die behoren tot het gemiddeld uitgavenpatroon van goedverdieners momenteel dalen in prijs. Het indexsysteem zoals wij dat vandaag hanteren, kent met andere woorden een aantal perverse neveneffecten in die zin dat hogere inkomens er door bevoordeeld worden en lagere en middeninkomens er door benadeeld worden. 

Parlementsleden hebben het grote voorrecht hun eigen wedden te kunnen bepalen.
Zij kunnen dus autonoom kiezen om onze wedde te verhogen, te verlagen of te plafonneren.
Door de evolutie van de inflatie zal het netto maandloon van een parlementslid op termijn van één jaar verhogen met ongeveer  500 euro bruto. Op jaarbasis stijgt de wedde van een parlementslid dus met ca. 6000 euro bruto. Een stijging die volgens Van Weert vanuit ethisch perspectief (cf. bovenaangehaalde argumenten) moeilijk verdedigbaar is.

Els Van Weert suggereerde aan voorzitter Marleen Vanderpoorten een viertal zaken : dat het bureau van het Vlaams parlement zich met spoed buigt over deze explosieve toename van de wedden van de Vlaams parlementsleden die de huidige prijsstijgingen waarmee onze samenleving kampt ruimschoots overschrijden. Dat bij een volgende overschrijding van de spilindex een indexsprong voor wedden van leden van het Vlaams parlement wordt doorgevoerd ( indexering wordt dan niet doorgevoerd). Dat de hierdoor uitgespaarde middelen efficiënt worden aangewend voor maatregelen bestemd om de koopkracht van lagere en middeninkomens te ondersteunen. Dat het bureau van het Vlaams parlement voor dit probleem een oplossing ten gronde zou uitwerken, waarbij een maximaal aantal indexaanpassingen per legislatuur dient overwogen te worden.

Volgens Van Weert kan de symboliek van deze maatregelen niet onderschat worden in tijden waarin grote groepen van onze samenleving hun koopkracht ernstig aangetast weten.  

En nu is het even wachten op de reacties van de leden van het bureau.

Els Van Weert
Vlaams volksvertegenwooridger VlaamsProgressieven
els.vanweert@vlaamsparlement.be
www.bloggen.be/lopendezaken