Het Rekenhof heeft de samenwerking tussen de VRT en externen voor het realiseren van televisieprogramma’s onderzocht. Het onderzoek ging over drie facetten: productie van programma’s door productiehuizen, de aankoop van diensten en goederen voor het aanmaken van programma’s en het inhuren van externe medewerkers. Het onderzoek behandelde de rechtmatigheid en de doelmatigheid van deze activiteiten. Een goed initiatief, zeker. Het is nuttig te controleren of de VRT haar werk doet volgens de regels, welke fouten worden gemaakt en hoe deze te verhelpen. Het Rekenhof doet dat ook voor pakweg het algemeen welzijnswerk of cultuursubsidiëring.
Het rapport ligt er nu. Er valt heel wat over te zeggen. Sommigen zullen het graag aangrijpen om te schelden en te schimpen op de vorige VRT-leiding. We leren er wel wat uit, maar toch te weinig. Het is een vaag rapport dat meer vragen oproept dan antwoorden geeft.
Het ontbreken van een tijdskader
Het rapport gaat over de periode 2004 – 2006. Dat is een vreemde keuze. Het rapport behandelt een deel van de vorige beheersovereenkomst. Waarom precies die periode? Waarom niet vroeger of niet later? Het wijst niet op de wil een algemeen en diepgaand onderzoek te doen naar de uitbesteding van de productie van programma’s. Het bestellen van programma’s bij externe productiehuizen startte goed 10 jaar geleden.
Het zou bijzonder interessant geweest zijn – het kan nog – om de evolutie van de uitbestedingen in beeld te brengen van bij het begin om zo vergelijkingen te kunnen maken. Het zijn Bert De Graeve en Piet Van Roe, opgevolgd door Christina von Wackerbarth als Directeur Televisie, die ermee startten. Het eerste contract met Woestijnvis werd in 1996 afgesloten. Onder Bert De Graeve werden ook de eerste exclusiviteitscontracten afgesloten, met deMensen en met Woestijnvis. Ook dan werd voor het eerst het principe van succespremies (een financiële bonus bij het halen van kijkcijfers) ingevoerd.
In de loop van de jaren nam het aantal bestellingen toe. In de periode Tony Mary / Aimé Van Hecke werd daarom een strategische visie over uitbesteding uitgeschreven, werd het aankoopbeleid gestructureerd en de missie van het interne productiehuis (IPRO) uitgewerkt. De strategie werd trouwens in de beheersovereenkomst opgenomen met als kerngedachte dat het accent moest liggen op de ontwikkeling van eigen Vlaamse formats voor tv; weet dat op andere zenders het veelal gaat om adaptaties van buitenlandse formats. Tot dan gebeurden de bestellingen ad hoc, met nog veel minder transparantie … Dat zou onderzoek dat verder in de tijd teruggaat (kunnen) aantonen. Het rapport behelst helaas enkel de periode Mary / Van Hecke tot hun vertrek.
Geen doelstellingen?
Eén van de kritieken van het Rekenhof is het feit dat de strategie voor productiehuizen geen doelstellingen bevat. Dat is een bizarre opmerking. Uitbesteding is namelijk geen doel, maar alleen een middel dat moet bijdragen tot de realisatie van de algemene doelstellingen, zoals vermeld in het decreet en in de beheersovereenkomst. Een apart doelstellingenkader is niet alleen onnodig, het is zelfs onwenselijk. Immers, het is geen optie om competitie te organiseren tussen interne en externe productie van de VRT. De strategie voor interne productie is bekend en is gebouwd op behoud van competentie in huis, de invulling van cruciale slots en onafhankelijkheid ten opzichte van productiehuizen.
Mededingingsconcept
Het Rekenhof spreekt zichzelf ook wel eens tegen. Aan de ene kant stelt het terecht dat de productie van tv-programma’s niet onderworpen is aan de wet op de overheidsopdrachten. Cultureel en sociaal belang liggen aan de basis van de Europese uitzondering. Aan de andere kant stelt het Rekenhof dat de regels en beginselen zoals transparantie in acht moeten worden genomen, beslissingen moeten worden gemotiveerd en een ‘passende bekendmaking’ bij een gunningsprocedure is vereist. Maar in voetnoot 17 van het rapport lezen we dat voor “opdrachten die wegens hun artistieke specificiteit of omwille van de bescherming van exclusieve rechten slechts aan één ondernemer kunnen worden toevertrouwd” de vereiste van passende bekendmaking niet nodig is. Dat is nu net de kern van een creatief product als een tv-programma. Het gaat om unieke, originele producten, onderworpen aan rechten en confidentialiteitsverplichtingen. En toch hamert het Rekenhof in het rapport voortdurend op de hoger genoemde vereisten. Je gaat toch ook de vertolking van liedjes in een show niet na een ‘passende bekendmaking’ en een vergelijkende procedure toekennen aan de zanger die het goedkoopst wil komen zingen. Creativiteit heeft een prijs, een marktwaarde, zodat één uur tv niet steeds evenveel kost. Het Rekenhof bleef echter dicht bij de letter van de wet en bekeek het dossier administratief/juridisch, zonder afdoende met de eigenheid van het tv-vak rekening te houden.
Dat een aantal contracten te laat werden ondertekend moet echter wel als een ernstig tekort worden aangestipt. Idem voor een aantal zaken waar de wetgeving voor overheidsopdrachten wel geldt, bijv. voor het inhuren van cameraploegen, de aankoop van materialen of consultancyopdrachten over vormgeving van tv-netten. In enkele gevallen heeft de VRT de regels van mededinging niet gerespecteerd. Deze overtredingen kunnen niet. Maar het heeft niet automatisch tot gevolg dat de VRT financiële schade heeft geleden.
Een competitieve omgeving
Het Rekenhof gaat ook iets te makkelijk voorbij aan het uitzonderlijke karakter van de televisie-omgeving. Het gaat om een landschap met een openbare en meerdere commerciële omroepen, die zich competitief tot elkaar verhouden. Wie resultaten wil halen in deze omgeving kan dit enkel realiseren als het met dezelfde wapens kan strijden als de commerciële spelers. Het zou ongehoord zijn dat de VRT de afspraken over het creatieve concept, de kost enz. openbaar moet maken. Commerciële spelers laten toch ook niet in kaarten kijken? Concurrenten zouden maar al te graag willen samenwerken met de succesvolle programmamakers en productiehuizen waar de VRT mee werkt.
Dat belet niet dat betere motivatie van de keuze voor productiehuizen, een betere controle en duidelijkere contracten noodzakelijk zijn. Dat is een aandachtspunt waar het Rekenhof terecht op wijst. Maar het gaat niet om doodzonden.
Conclusie
Het rapport van het Rekenhof geeft geen antwoord op de belangrijkste vragen: heeft de VRT de bij externe productiehuizen bestelde/ingekochte programma’s op een marktconforme wijze betaald? Heeft de VRT doelmatig gehandeld? Is de externe productiekost hoger of lager dan de interne? We krijgen hier geen duidelijk antwoord op. De vergelijkingen zijn mank – er worden appels met peren vergeleken, bijv. informatieprogramma’s met fictie. Jammer. Enige vergelijking met de prijs die commerciële zenders betalen ware ook nuttig geweest. Op die vlakken is het rapport een gemiste kans.
Content in prime time (19u – 23u) kost snel 100 tot 150.000 euro per uur; een show bijvoorbeeld. De langetermijnovereenkomst met Woestijnvis bepaalt dat Vlaamse content in prime time gemaakt wordt voor 50.000 euro per uur (Man Bijt Hond, De Laatste Show …). Dat is een derde van de normale kost. Is dat nog te veel? Is dat doelmatig? We krijgen er geen antwoord op.
De politieke motieven
Het verhaal van de VRT laat zich eenvoudig lezen. In 1996 zat de omroep in een diep dal. Er kwam een nieuw management (Bert Degraeve). En reeds in 1999, veel sneller dan verwacht, stond de omroep weer aan de top. Voor sommige politieke partijen kon dat niet … en dus werden beschadigende strategieën ontwikkeld. Laat me ze opsommen:
1. Twee keer werd het management weggestuurd (eerst De Graeve – von Wackerbarth en in 2006 Mary – Van Hecke). Beide duo’s waren te succesvol en te ambitieus.
2. De dotatie moest naar beneden. Een jaarlijkse groei van 1,8%, ver onder de inflatie, bewijst dat.
3. Meer ruimte voor de commerciële omroepen: reclame rond kinderprogramma’s toelaten, een tweede radiostation voor de VMMa, een nieuw mediadecreet met meer reclamemogelijkheden.
4. De vrijheid van de VRT-leiding om relaties aan te gaan met externe makers en productiehuizen inperken.
5. Een slechte beeldvorming over het vorige management (2x) verspreiden om de perceptie over de VRT negatiever te maken.
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat het rapport van het Rekenhof – gewild of ongewild – moet bijdragen aan de acties 4 en 5. Op middellange termijn zal die strategie succesvol zijn. De achteruitgang van de radio, zeker van Donna, en de opmars van VTM – het is hen gegund – zijn slechts de eerste signalen.
Het Rekenhof geniet mijn vertrouwen. Het mag van mij een echt diepgaand onderzoek doen naar uitbesteding, maar dan over een langere periode, en met boter bij de vis, ik bedoel bruikbaar en vergelijkend cijfermateriaal, waar we grondige conclusies uit kunnen trekken.
Meer info:
Bart.caron@vlaamsparlement.be
0477/49.58.10